
Ook in 2026 moet je scherp blijven op btw-valkuilen
Btw op cultuur en sport blijft laag, maar blijf waakzaam. Ook als je in een andere sector actief bent, kun je in 2026 te maken krijgen met een van de vele btw-valkuilen.
De afgelopen tijd is er veel te doen over de overheidsfinanciën. De tekorten lopen op. Logisch dat het kabinet zoekt naar manieren om de gaten te dichten. Een van de ideeën was om een aantal sectoren vanaf 1 januari 2026 onder het hoge btw-tarief te laten vallen. Voor de getroffen sectoren zou dit betekenen dat ze hun verkoopprijzen moeten verhogen, of een lagere winstmarge zouden realiseren.
Logisch dat er veel protesten vanuit de betrokken sectoren kwamen. Veel ondernemers, die het vaak nu al moeilijk hebben, voorzagen dat de prijsverhoging zou betekenen dat klanten wegblijven. Ook maakten mensen zich zorgen dat de btw-verhoging mensen zou weerhouden van deelname aan sport- en cultuuractiviteiten.
De protesten leidden ook in politiek Den Haag tot onrust, er volgden debatten in de Tweede Kamer. Er werd een motie opgesteld en aangenomen, wat uiteindelijk leidde tot een wetsvoorstel om de Btw-verhoging op cultuur en sport niet door te laten gaan. Dit voorstel is uiteindelijk op 2 oktober 2025 goedgekeurd door de Tweede Kamer. Daarmee is de verhoging van de btw op cultuur en sport nog niet helemaal van de baan, want de Eerste Kamer moet zich er ook nog over het voorstel buigen. Algemeen wordt aangenomen dat dit slechts een formaliteit is en dat de verhoging van de Btw op cultuur en sport van de baan is.
Toch betekent dit niet dat je niet meer op hoeft te letten. De btw-aangifte lijkt simpel, maar zit vol valkuilen.
Heb je een hotel of B&B en haalde je opgelucht adem toen je hoorde dat de btw verhoging voor sport en cultuur niet doorgaat? Dan hebben we slecht nieuws voor je. Want de btw-verhoging op logies en verblijf gaat in 2026 wél van 9% naar 21%. Vanaf 1 januari 2026 zul je dus met het hoge btw-tarief moeten rekenen.
Ondernemers die voorheen wel onder het lage btw-tarief vielen moeten in 2026 extra goed opletten. Vooral in de eerste maanden van 2026 kan het nog lastig zijn te bepalen welk btw-tarief je moet hanteren.
Want in tegenstelling tot wat veel ondernemers denken is het moment van facturatie of betaling niet bepalend. Wat bepaalt welk btw-tarief gehanteerd moet worden is het moment waarop de dienst afgenomen wordt.
Dus factureer je in 2026 een overnachting die in 2025 heeft plaatsgevonden? Dan moet je het btw-tarief van 2025 gebruiken. En een gast die tijdens de jaarwisseling in een hotel verblijft krijgt een nog ingewikkeldere factuur. Want over de overnachtingen in 2025 betaalt hij het lage tarief, maar voor de nachten nádat de champagneglazen klinkten moet het hoge tarief gehanteerd worden.
Als je weet dat je producten binnenkort duurder worden, kan het slim lijken klanten te verleiden om nu alvast vooruit te bestellen. Maar helaas: als iemand nu alvast een verblijf in 2026 boekt, moet daarover “gewoon” 21% btw worden berekend. Ook als de boeking in november gedaan wordt.

Sommige btw-valkuilen ogen op het eerste gezicht onschuldig
Een ander truukje dat op eerste gezicht slim lijkt is de klant vooruit te laten betalen. Je stuurt in december vast de factuur voor heel 2026, zodat de klant dat jaar nog van het lage btw tarief kan genieten. Helaas, ook hier is het moment waarop de prestatie wordt geleverd bepalend. Dus vooruitbetalingen die betrekking hebben op 2026, geschieden tegen het dán geldende tarief. Deze valkuil kan een forse kostenpost opleveren.
Neem een hotel dat vouchers verkoopt. Hiermee kan een gast een overnachting boeken en betalen.
Bij het kopen van de voucher betaalt de klant btw. Doet hij dit in 2025, dan zal dit 9% zijn. Maar in 2026 is het 21%. Als de klant in 2025 alvast een paar honderd vouchers koopt, scheelt hem of haar dit enorm veel geld wanneer de overnachtingen daadwerkelijk plaatsvinden.
Dat is echter niet de bedoeling. Dus wordt de voucher in 2026 gebruikt? Dan zal de klant het verschil in btw moeten betalen, óf de ondernemer moet dit verschil zelf dragen. Dat gaat ten koste van de winst.
Een maatregel die minder aandacht heeft gekregen is de (voorgenomen) herzieningsmaatregel voor btw bij investeringsdiensten. Dit betreft diensten aan een of meer onroerende zaken die € 30.000 of meer hebben gekost.
Slimme ondernemers hadden uitgevogeld dat je de btw van je investering kunt terugvragen. We lichten dit toe aan de hand van een voorbeeld. Een ondernemer heeft een pand gekocht en wil hier een aantal short stay appartementen inrichten. Hij voert een enorme renovatie uit. Het totale project komt op € 500.000 excl. Btw. De btw (9% van € 500.000 = € 45.000) vraagt hij terug van de fiscus.
Na een jaar short stay te hebben aangeboden (btw 9%) is hij al het werk helemaal zat. Hij stopt met de shortstay en biedt de appartementen aan op de lokale huizenmarkt. Hij trekt een aantal huurders aan die elke maand huur betalen (0% btw).
Het naastgelegen pand is door een andere ondernemer opgekocht. Hij voert dezelfde renovaties uit met het doel hier huurwoningen te realiseren. Omdat woninghuur tegen 0% btw gebeurt, kan hij de btw niet terugvragen. Hij is dus € 545.000 kwijt voor precies dezelfde renovatie.
Dit verschil is niet eerlijk, vindt de overheid. Het vervuilt de concurrentieverhoudingen en zorgt dat de fiscus geld misloopt.
Daarom is een herzieningsregeling bedacht, die er simpel gezegd op neerkomt dat je verplicht bent om een onroerende zaak minimaal 5 jaar te blijven gebruiken zoals voorgenomen bij de investering. Verander je gedurende deze tijd het gebruik (waardoor het btw tarief lager uitvalt)? Dan zal een correctie op de verbouwingskosten plaatsvinden. Dit kan de ondernemer uit het eerste voorbeeld veel geld kosten.
Anderszijds: als de tweede ondernemer de huurwoningen voortaan aanbiedt als shortstay, kan hij ook een btw herziening verwachten. Dit kan juist -alsnog- een teruggave opleveren.

Controleer regelmatig je administratie om te voorkomen dat je in 2026 in één van de btw valkuilen valt
Dit is mogelijk één van de best verborgen btw-valkuilen in 2026! De meeste ondernemers stellen hun facturen op aan de hand van een facturatiesysteem. Dit systeem berekent de btw automatisch. Hiervoor gebruikt het een tabel waarin bij alle producten of diensten vermeld is welk btw-tarief gehanteerd moet worden.
Dit is enorm betrouwbaar, mits de informatie in de tabel correct is. Wanneer heb jij voor het laatst gecontroleerd of de btw-tarieven per product kloppen? Als je de verkeerde btw in rekening brengt, kan dit leiden tot boetes.
Sommige diensten en producten zijn vrijgesteld van btw. Bijvoorbeeld zorg en onderwijs. Dat betekent dat over onderwijsdiensten geen btw hoeft te worden geïnd. Maar het betekent ook dat de betaalde btw niet teruggevraagd kan worden. Voor organisaties die hiermee te maken hebben (ziekenhuizen, onderwijs, non-profit) betekent dit dat ze geen btw-aangifte hoeven te doen. Ze hoeven niets af te dragen. Maar ze kunnen de btw die ze zelf betalen ook niet terugvragen.
In de praktijk betekent dit dat ze meer voor hun inkopen betalen dan hun commerciële buurman.
Voorbeeld: Een ziekenhuis en een advocatenkantoor hebben printpapier nodig. Ze plaatsen allebei een bestelling voor € 1000 bij de kantoorgroothandel. De kantoorgroothandel stelt een factuur op, die inclusief btw neerkomt op € 1.210. Het advocatenkantoor vraagt de btw terug (€ 210) en is per saldo € 1.000 kwijt. Het ziekenhuis betaalt € 1.210 en kan niks terugvragen.
Dit voelt voor sommige mensen oneerlijk. En het komt vaak voor dat ondernemers, die de ins en outs van de btw-regelgeving niet kennen, geen btw in rekening brengen: “Want deze klant is vrijgesteld van btw”.
Helaas. Dat de klant is vrijgesteld van btw, betekent niet dat de ondernemer óók is vrijgesteld. Als jij, als ondernemer, btw-plichtig bent dan geldt dit voor al je klanten. Ongeacht of zij wel of niet vrijgesteld zijn.
Dus: de btw-verhoging op sport en cultuur gaat niet door. Dat is goed nieuws. Maar je moet altijd blijven opletten. Want de btw-aangifte kent tal van valkuilen.